Kralingsche Troep - Scouts - Insignes

Insignes VERKENNERS 

Afronding Atletiek Banketbakken Brandpreventie
Communicatie Internet specialist Dans Dierkunde
E.H.B.O. Energie Fietsen Film
Fotografie Grafisch Handvaardigheid Houtvesten
Internationaal Journalist Kamperen Kampvuur leiden
Kanoën Ken je omgeving Koken Loods
Milieu Modelbouw Modelvliegen Motortechniek
Muziek Natuurbeheer Ontw. samenwerking Organisatie
Oriënteren Paardrijden Pionieren Plantkennis
Radiotechniek Roeien Schaatsen Schieman
Snorkelen Spelleiding Sport Sterrenkunde
Surfen Textieltechnieken Tolk Toneel
Trapper Valscherm Vliegeren Vliegtuigherkenning
Wandelen Weerkennis Werfbaas Woudlopen
Zeilen Zwemmen Zwemmend redden Zwerven

Eisen Atletiek:

  1. Leg uit wat het belang is van een warming-up en cooling-down en vertel hoe lang deze fasen duren. Demonstreer de daarvoor benodigde losmakende en rekkingsoefeningen op de juiste wijze.
  2. Verzamel informatie over goed schoeisel, onder- en sportkleding, beschermingsmateriaal (reflecterend) en de vereiste lichamelijke verzorging na het sporten. Maak een collage waar je deze informatie in verwerkt.
  3. Neem onder deskundige begeleiding deel aan atletiek-trainingen, tot je uit het totaal van onderstaande onderdelen minstens gemiddeld 3 punten scoort.

Eisen Banketbakken

  1. De grondstoffen die bij het bakken en banketbakken gebruikt worden onderscheiden en weten waarbij die gebruikt worden.
  2. Aangeven wat het verschil is tussen bladerdeeg, zandgebak, cake, biscuitgebak, moskovisch gebak.
  3. Bak een brood naar keuze met zuurdesemdeeg of gistdeeg.
  4. Presenteer je patrouille de zelfgebakken koekjes, bijvoorbeeld: pitmoppen, speculaas of kletskoppen.
  5. Maak een kwarktaart, een appeltaart of een vlaai.
  6. Een hartige taart bakken.
  7. Een oven voor gebruik met houtvuur bouwen en daarin op kamp iets bakken voor je ploeg.
  8. Breng een bezoek aan een ambachtelijke bakker of banketbakker en bekijk hoe al de produkten uit de winkel tot stand komen.

Eisen Brandpreventie

  1. De elementen van de branddriehoek kennen en aan de hand daarvan uitleggen hoe een brand in principe geblust kan worden.
  2. Iemand van de plaatselijke brandweer bezoeken en hem/haar interviewen over de brandweerorganisatie en het meldingssysteem.
  3. Weten welke informatie je moet verstrekken bij een brandmelding. De alarmnummers van brandweer, politie en GGD in jouw woonplaats kennen.
  4. Preventieve maatregelen nemen in het clubhuis, aan boord, op kamp en bij het houden van een kampvuur. De vluchtwegen aangeven en weten hoe en waar je een stookvergunning moet aanvragen.
  5. Met kleine blustoestellen kunnen omgaan: brandkraan, waterleidingsslang, natte doeken, blusdeken, vuurzweep en brandschop.
  6. Verschillende blusstoffen en -toestellen kennen en weten bij welke type brand ze worden toegepast: water, zand, schuim, koolstofdioxyde, bluspoeders en halogeenkoolwaterstoffen (BCF en BTM). Weten wat de ademhalings- en milieu-effecten zijn van de verschillende blusmiddelen.
  7. Handelend optreden bij de volgende gesimuleerde brandongevallen: tent/afdak in brand, kleren in brand, vlam in de pan, brandende gordijnen/vitrage, fakkelende primus, kortsluiting.
  8. Weten wat je in het algemeen moet doen bij: autobrand, brand aan boord, bos- of heidebrand, huis in brand, brand in electrische installaties, vliegtuigbrand, brand in het clubhuis, veestal in brand.
  9. Eerste hulp kunnen verlenen bij 1e, 2e en 3e graads verbrandingen en bij electriciteit ongevallen.

 


Eisen Communicatie

  1. Teken een tiental situaties waarmee je zonder woorden duidelijk maakt wat je bedoelt, bijvoorbeeld: dat je dringend een dokter nodig hebt, of de ander geld kan wisselen, dat je met hem/haar ergens iets wilt gaan drinken.
  2. Leg een spel aan je ploeg of vendel uit zonder woorden te gebruiken. Als het spel begint, mag je weer praten.
  3. Leer een van onderstaande communicatie-methoden:
    1. morse
    2. semafoor
    3. braille
    4. gebarentaal doven/slechthorenden
    5. internationale vlaggeseinen
  4. Breng met deze methode een bericht over en vertel een boodschap die je ontvangt in het Nederlands.
  5. Ontwerp een geheimschrift en maak bijvoorbeeld tijdens een tocht van je vendel hiermee een opdracht.
  6. Geef voor je ploeg een instructie in een techniek. Gebruik deze techniek daarna in een activiteit.
  7. Wissel 6 brieven uit met een andere jongen of meisje in Nederland.

Eisen Internet specialist

ALS ALLEREERSTE: WETEN HOE JE TEKSTEN VAN HET INTERNET KAN HALEN OM IN JE EIGEN SCOUTINGSITE TE ZETTEN !!!!!!!!

  1. Demonstreer je kennis van de programmeertaal met behulp van een zelfgeschreven programma, waarin gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden die de gebruikte taal biedt. Demonstreer het programma op een computer.
  2. Maak een programma-ontwerp voor een routine die je regelmatig gebruikt en een ontwerp voor een ander programma dan in punt 1
    OF
    Teken een algemeen blokschema van een micro-computer, beschrijf de belangrijkste componenten en beschrijf globaal haar functie en de werking van de micro-computer.
  3. Beschrijf 4 verschillende types van geheugens/data-opslag middelen.
  4. Beschrijf 6 voorbeelden van gebruik voor computers of apparaten waarin een computer wordt gebruikt. Ze moeten uit verschillende gebieden komen, zoals: thuis, kantoor, fabrieken, vliegtuigen, etc.

Eisen Dansen - Expressie I

  1. Drie buitenlandse en tenminste een Nederlandse volksdans kennen, dat wil zeggen de volgorde van de passen en de figuren goed weten en op de maat van de muziek soepel met anderen meedansen.
  2. Een moderne discodans aan je vendel leren en demonstreren tijdens kampvuur, bonte avond of iets dergelijks.
  3. Vijf speelliedjes doen met je ploeg.
  4. Ga op een dansschool kijken en zo mogelijk meedoen aan een training in een van de volgende dansvormen:
    1. Jazzballet
    2. Aerobic
    3. Ballet
    4. Rock en Roll
    5. Ballroom
    6. Latijns-Amerikaanse dansen

 


Eisen E H B O

  1. De vijf belangrijkste punten van de E.H.B.O. kennen.
  2. De naam, het adres en telefoonnummer kennen van je eigen huisarts en de huisarts die het dichtst bij het clubhuis woont.
  3. De hulpmiddelen kennen die in de E.H.B.O. gebruikt worden.
  4. Bekend zijn met de inhoud en het gebruik van de middelen uit de verbandkist van je vendel.
  5. Eerste Hulp verlenen bij:
    1. Eenvoudige ongevallen: schrammen en sneden, verstuikingen, blaren, bloedneus, vuiltje in het oog, kramp, insectenbeten en -steken, splinters
    2. Ernstige bloedingen
    3. Flauwte, bewusteloosheid en hyperventilatie
    4. Brand- en electriciteitsongevallen
    5. Onderkoeling en bevriezing
  6. Kunstmatige beademing demonstreren op een pop.
  7. De volgende verbanden aan leggen en weten wanneer ze worden toegepast:
    1. Brede das en mitella
    2. Zwachtelverbanden: vinger-, hand-, knieverband
    3. Dekverband, snelverband en (wond)drukverband
  8. Demonstreren hoe je een slachtoffer ondersteunend verplaatst en verplaatst met de handgreep van rautek.
  9. Iets afweten van:
    1. Gezonde voeding
    2. Lichaamsverzorging (kleding en hygiëne)
    3. Onderhoud van het gebit
    4. Nachtrust en ontspanning
  10. Weten welke regels je op kamp in acht moet nemen bij:
    1. Het bewonen van een kampterrein en een tent
    2. Watervoorziening, afvalverwerking en toiletvoorziening
    3. Koken en het gebruik van de kampkeuken
    4. Lichaamsverzorging en kleding

 


Eisen Energie

  1. Maak een tekening van je (club)huis en de directe omgeving.
    Geef daarin aan:
    1. welke vormen van energie gebruikt worden
    2. waar warmte-uitwisseling met de omgeving plaatsvindt
  2. Presenteer dit aan je vendel en bespreek of er verstandig met energie om wordt gegaan en welke verbeteringen er eventueel mogelijk zijn.
  3. Bij het koken in het kamp kun je verschillende energiebronnen gebruiken (houtvuur, petroleum of benzinebrander, gastoestel). Maak een serie posters waaruit duidelijk wordt wat de voor- en nadelen zijn van de vier verschillende kookmogelijkheden, mede vanuit een oogpunt van verstandig energieverbruik. Beschrijf hierbij ook hoe het verbrandingsproces verloopt en behandel het onderwerp onvolledige verbranding.
  4. Bouw een energie-zuinige houtoven of -brander.
  5. Zoek uit hoe een oude en een moderne windmolen werken en waarvoor ze gebruikt werden of worden. Breng een bezoek aan een van beide. Verwerk dit alles in een verslag of andere presentatievorm.
  6. Ontwerp en maak iets dat gebruik maakt van zonne-energie.
  7. Zet een energie-tocht uit voor je vendel: gebruik bijvoorbeeld foto's die iets met energie te maken hebben, laat onderzoek doen naar het gebruik van energie en dergelijke.

 


Eisen Fietsen

  1. De verkeersregels en -tekens voor fietsers kennen en weet waarop te letten als je met een ploeg fietst.
  2. Een reparatiesetje voor je fiets samenstellen en daarmee de volgende reparaties kunnen uitvoeren:
    1. band plakken
    2. spaken vervangen
    3. verlichting repareren
    4. binnen- en buitenband vervangen
    5. gebroken ketting herstellen en spannen
    6. afgebroken trapper vervangen
    7. remblokjes, remkabel en derailleurkabel vervangen
  3. Je eigen fiets onderhouden: regelmatig smeren van de draaiende onderdelen, ketting reinigen, verlichting/reflectoren.
  4. Het verzet van je eigen fiets bepalen.
  5. Je fiets afstellen in overeenstemming met je lichaamsmaten.
  6. Je bagage voor een fiets-zwerftocht stabiel op je fiets verpakken.
  7. Een fietstocht met je ploeg of vendel maken van 50 kilometer met behulp van een fietskaart, waarop je de route afleest.
  8. Bereid een driedaagse fietstocht in onbekend gebied voor, die je samen met 1 andere scout gaat maken. De persoonlijke bagage, shelter/schuilhut en voedsel dienen op de fietsen te worden meegenomen. Maak van te voren een routeplan met tijdsplanning, bepaal waar je gaat overnachten, koop het benodigde voedsel in, kies een doel voor je tocht en ontleen daaraan meerdere opdrachten.
    Verzorg na terugkomst een rapportage aan de hand van foto's, dia's en/of een logboek.

 


Eisen Fotografie

  1. Leg uit hoe een fototoestel werkt.
  2. Uitleggen waarom de volgende zaken belangrijk zijn als je een goede foto wilt maken:
    1. de afstand tussen het toestel het toestel en het onderwerp
    2. belichting
    3. diafragma
    4. richting flitsen
    5. filmgevoeligheid
    6. scherpte-diepte
  3. Het verschil tussen spiegel-reflexcamera en een doorzicht-zoekercamera kennen.
  4. Met een fototoestel om kunnen gaan:
    1. filmrolletjes of disc inleggen en eruit halen
    2. batterijen verwisselen
    3. flitsapparaat gebruiken
    4. weten hoe je het toestel in moet stellen
  5. Maak zelf een camera obscura of maak tenminste 5 fotogrammen.
  6. Tenminste 18 technisch geslaagde opnamen maken. bij deze opnamen zijn portret-, dieren-, landschaps-, actie- en binnenhuisfoto's.
  7. Maak een fotoreportage (minstens 10 opnamen) van een zelfgekozen onderwerp, bijvoorbeeld je school, een bedrijf of winkel in de buurt. Maak om het uur een tijdopname vanaf een punt in je straat. Presenteer dit op een bijpassende wijze aan je vendel.
  8. Maak samen met een fotograaf afdrukken en vergrotingen van je eigen zwart-wit negatieven.
  9. Weten waar je in jouw woonplaats de afgewerkte fotochemicaliën en batterijen moet inleveren.

 


Eisen Handvaardigheid

  1. Maak van hout of stof speelgoed voor de spelotheek, beverkolonie of crêche bij jou in de buurt.
  2. Maak twee werkstukken, ieder van een ander materiaal, bijvoorbeeld een houten marionet, een oven van blik, een sieraad van kralen of zilverdraad of een houten corveebord.
  3. Maak samen met iemand anders een werkstuk, waarin vijf of meer verschillende materialen verwerkt zijn, bijvoorbeeld maquette van een dorp, kermis of clubhuis.
  4. Ga op bezoek bij een ambachtsman/-vrouw, bijvoorbeeld: pottenbakker, poppenmaker, schilder. Vertel je vendel over dit bezoek.
  5. Teken of ontwerp tenminste 5 kaarten, die je kunt versturen met Valentijnsdag, B.P.-dag of om iemand op te vrolijken/feliciteren.
  6. Toon dat je veilig met de te gebruiken gereedschappen omgaat.

 


Eisen Houtvesten

  1. Inzicht hebben in de veiligheidseisen die het gebruik en vervoer van bijl en zaag met zich meebrengen.
  2. De volgende hulpmiddelen kunnen onderhouden en weten waarvoor en hoe je ze gebruikt. Demonstreren hoe je er op veilige wijze mee werkt:
    1. Hiep
    2. Handbijl en snoeibijl
    3. Beugel-, snoei-, klap- en snaarzaag
    4. Kantelhaak
    5. Schilschop of schilmes
  3. De hoofdtypen zaagbetanding kennen en weten wat met zetting wordt bedoeld.
  4. Een bijl slijpen en van een nieuwe steel voorzien.
  5. Op de juiste wijze een piketpaatje en V-tje hakken en stookkant voor een kampvuur maken.
  6. Een boom planten en weten waarop je moet letten.
  7. Kennis hebben van de bouw en groei van bomen en de plaats die ze in de natuurlijke kringloop in het bos innemen.
  8. Kennis hebben van de belangrijkste boomziekten en -plagen en de gevolgen van milieu-vervuiling, zure regen, voor het bos.
  9. In overleg met de beheerder van een natuurgebied meewerken aan het onderhoud en daarover verslag doen (bijvoorbeeld hei opschonen, wilgen knotten, bos uitdunnen).

 


Eisen Internationaal

  1. Zoek een plaats in het buitenland uit waar je graag een reis naar toe zou willen maken. Bekijk hoe je er kunt komen en van welke vervoermiddelen je dan gebruik moet maken. Wat kun je op die plaats allemaal doen?
  2. Zoek van het land van je voorkeur zoveel mogelijk informatie bij elkaar. Ga hiervoor naar de bibliotheek, verkeer- of reisbureau. Denk aan de volgende aspecten: taal, middelen van bestaan, natuur, bijzondere gewoontes, welvaart, toerisme, etc. Presenteer de informatie op een aantrekkelijke manier aan je vendel.
  3. Doe mee aan een internationaal kamp, of correspondeer met een meisje of jongen uit het buitenland. Probeer meer te komen over "Scouting" in een ander land.
  4. Zoek uit welke betekenis de vlag van het betreffende land heeft en wat de herkomst van de Nederlandse en Europese vlag is.
  5. Op de hoogte zijn van allerlei zaken die je moet regelen voordat je aan een buitenlandse reis begint. Bijvoorbeeld: paspoorten, visa, vreemd geld, reisverzekeringen, inentingen.
  6. Op de hoogte zijn van de internationale verspreiding van Scouting. Een indruk hebben van de activiteiten van de weredbonden WAGGGS en WOSM.
  7. Nodig een buitenlandse scout, of eventueel een niet-scout, minimaal 3 dagen bij jou thuis uit. Dit kan bijvoorbeeld via een home-hospitality project, post-box correspondentie of via een internationale uitwisseling.
  8. Bedenk van te voren hoe je je gast zo goed mogelijk op zijn/haar gemak kunt stellen. Welke Nederlandse gebruiken zul je moeten uit leggen?

 


Eisen Kamperen

  1. Een kampterrein verkennen en daarvan een plattegrond maken, waarop de kampindeling wordt ingetekend en waarbij rekening wordt gehouden met omgevingsfactoren. Laat je inspireren door de omgeving.
  2. Met je ploeg of vendel het programma voor een weekendkamp of dag van het zomerkamp bedenken en plannen. Dit programma voorbereiden met andere scouts en iemand van de leiding en tijdens het kamp uitvoeren.
  3. Je persoonlijke bagage en het kampeermateriaal voor jouw ploeg voor het zomerkamp samenstellen.
  4. De hoofdtypen tenten en haringen/grondpennen met hun gebruiksdoel kennen.
  5. Een shelter en een huttent opzetten, waarbij je rekening houdt met omgevingsfactoren. De tent op de juiste manier gebruiken en weten welke maatregelen je bij slecht weer moet nemen. Na gebruik de tent weer afbreken en inpakken en na thuiskomst schoonmaken, eventueel herstellen en schoonmaken.
  6. Een kampkeuken ontwerpen. Je kiest een geschikt terrein, waarbij je rekening houdt met de omgeving. Pionier daar met je ploeg de door jou ontworpen kampkeuken, richten hem in en gebruik hem tijdens een (weekend-)kamp.
  7. Tonen op hygiënisch verantwoorde wijze te kamperen. Denk daarbij onder andere aan: persoonlijke hygiëne, verantwoord omgaan met voedsel, afvalverwerking, plaatsing en gebruik latrine/kampdouche, luchten van de tent/slaapzak en laten zien hoe je een terrein weer netjes achterlaat.
  8. Tijdens een kamp 2 warme maaltijden voor je ploeg of vendel koken. Het menu heb je zelf samengesteld en ook de benodigde ingrediënten koop je zelf in.
    Een van deze maaltijden dient in ieder geval op houtvuur te zijn bereid.
  9. Tenminste 5 nachten met je ploeg of vendel in tenten hebben overnacht.
    Tenminste 4 nachten met 1 of 2 andere scouts in een shelter of boot hebben overnacht.
    Tenminste 1 nacht in de winter in een tent hebben overnacht.

 


Eisen Kampvuur leiden

  1. Om het kampvuur te leiden 25 liedjes, 2 canons en 5 yells kennen en zingen.
  2. Vijf liedjes, een canon en een yell aan het vendel aanleren.
  3. Een kampvuurverhaal van circa 10 minuten aan het vendel vertellen.
  4. Eenkampvuurplaats kiezen, rekening houdend met het aantal en de plaats van de deelnemers, de omgeving en de wind en de werkzaamheden van de stoker afspreken.
  5. Een kampuurprogramma met circa 25 deelnemers leiden, daarbij rekening houdend met opbouw van het programma, spelen en dansen.
  6. Brandpreventie-maatregelen nemen bij het houden van een kampvuur.

 


Eisen Kanoën - Varen

  1. Op de juiste manier:
    1. de boot in en uit het water brengen en halen
    2. in- en uitstappen onder gunstige en ongunstige omstandigheden
    3. wendingen maken
    4. achteruit varen
  2. De volgende technieken demonstreren:
    1. boogpeddeltechniek, lange slagen
    2. peddelsteunslag
    3. langszij aanleggen en wegvaren
    4. zijwaarts verplaatsen, aanleggen en wegvaren
    5. noodstop maken
    6. met een korte bocht draaien
    7. sturen op het lichaamsgewicht
  3. Een goede slag bezitten en dit laten zien in een een- of tweepersoonskano.
  4. Weten hoe je moet handelen bij:
    1. harde wind
    2. het omslaan van houten en polyester kano's en met spatzeil
    3. een hekgolf
  5. Hulp aan iemand verlenen, die omgeslagen is met een kano. Het belang zien van het dragen van een reddingsvest.
  6. Van het BPR de bepalingen kennen die voor kano's gelden.
  7. Tijdens een dagtocht tenminste 4 uur met een kano varen.
  8. Een kano (hout/polyester) in de zomer en winter goed onderhouden en kennis hebben van kano's en uitrusting.

 


Eisen Ken je Omgeving - Heemkunde

  1. Verzamel een aantal tekeningen, foto's, plattegronden en dergelijke van je woonplaats, waarop de ontwikkeling vanaf 1960 duidelijk te zien is. Verdiep je daarin en vertel je vendel er over.
  2. Stel een puzzeltocht samen voor jouw ploeg of vendel, die voert langs interessante plekjes in jouw buurt. De historie kennen van deze plaatsen en aan kunnen geven waarom je juist deze hebt gekozen.
  3. Vervaardig een informatiebord of maquette van je stadswijk of dorp, waar je voor jou belangrijke informatie aangeeft.
  4. Breng een bezoek aan een werkplaats, bedrijf of atelier en maak er een verslag van.
  5. Achterhaal een belangrijke gebeurtenis of legende uit je woonplaats/streek en gebruik dat als basis voor een presentatie met je ploeg.
  6. Bekend zijn met andere jeugdverenigingen in je omgeving en organiseer met hen een uitwisseling.
  7. Breng een bezoek aan twee van de volgende instellingen: waterleidingbedrijf, waterzuiveringsbedrijf, energiebedrijf, e.d. Maak hierover een verslag waarin duidelijk wordt wat ze precies doen en wat hun betekenis is voor jouw gemeente en hoe ze meewerken aan de verbetering van ons milieu.

 


Eisen Koken

  1. Leg een receptenboek aan waarin tenminste 15 eigen recepten voorkomen die je zelf al eens hebt bereidt. Het boek bevat voorgerechten, hoofdgerechten en nagerechten.
  2. Inzicht hebben in de samenstelling van een verantwoorde maaltijd.
  3. Per jaargetijde weten welke groente voordelig zijn. Een verstandige maaltijd, ook vegetarisch, samenstellen.
  4. Een produktiebedrijf of veiling bezoeken en een verslag schrijven over de manier waarop levensmiddelen verwerkt worden.
  5. Organiseer een feestelijke maaltijd voor minstens 4 personen of verzorg het eten op een feestje (bijvoorbeeld een gourmet, foundue, barbecue of buitenlandse maaltijd). Let daarbij op de uitnodigingen, de aankleding en natuurlijk de gezelligheid voor de gasten.
  6. Breng een bezoek aan een restaurant bij jou in de buurt en ga in de keuken kijken. Wat zijn de verschillen en overeenkomsten tussen een grote keuken en de keuken thuis.
  7. Op een middag of kampje van de Esta's assisteren bij het koken.
  8. Tijdens een kamp een menu samenstellen voor je ploeg, inkopen en op houtvuur bereiden.
  9. Vijftien eetbare produkten uit de natuur kennen en kunnen bereiden.

 


Eisen Ontwikkelingssamenwerking - Samenleving

  1. Kies een land uit dat in aanmerking komt voor ontwikkelingssamenwerking. Probeer meer te weten te komen over de manier van leven in dit land. Denk bijvoorbeeld aan eetgewoontes, huizen, religies, scholen, winkels, geld, vervoer, geschiedenis, watervoorziening, voedselproduktie. In de Tropenmusea is veel informatie te vinden, maar je kunt ook te rade gaan bij iemand die het land goed kent.
  2. Organiseer een korte activiteit of spel voor je vendel uit het door jou gekozen land, bij voorkeur een traditioneel spel.
  3. Zoek informatie op over Scouting in het betreffende land. Kijk naar de overeenkomsten en verschillen met Scouting Nederland. Wat heeft de speciale aandacht van de betrokken organisatie?
  4. Maak voor je ploeg of vendel een maaltijd met niet-Europese ingrediënten. Kies daarbij bijvoorbeeld uit: maniok, bamboe, casave, linzen, sojabonen, katjang-idjoe, aduki-bonen, yam, kouseband, enz. Op de hoogte zijn van de voedingsgewoonten in het betrokken land, weten wat de gevaren van eenzijdige voeding zijn.
  5. Doe mee aan een hulpactie ten behoeve van een ontwikkelingsland. Zorg dat je goed op de hoogte bent van de problemen die de actie probeert te verhelpen.
  6. Bedenk of ontwerp een (technisch) hulpmiddel dat eenvoudig te maken is en onder primitieve omstandigheden te gebruiken is. Denk daarbij aan plaatsen waar geen electriciteit of brandstof voor handen is en je aangewezen bent op zon, wind, water of spierkracht.

 


Eisen Oriënteren - Routetechnieken

  1. Weten hoe kaarten met een stereografische projectie worden gemaakt. het verschil tussen magnetisch, geografisch en kaartnoorden kennen. Begrijpen wat het nut is van Rijksdriehoeksmeting en Normaal Amsterdams Peil en in je omgeving 2 R.D.-punten en 2 N.A.P.-verkenmerken kunnen aanwijzen.
  2. De beginselen van het magnetisch kompas en de daarbij samenhangende afwijkingen begrijpen. 32 windstreken, gradenverdeling oost-om en west-om en de indeling in duizendsten kennen.
  3. Weten welke informatie je op de volgende kaarten kunt vinden: topografische kaarten, fietskaarten, hoogtekaarten, waterkaarten, luchtvaartkaarten, geologische kaarten en bodemkaarten. Met drie kaarten kunnen werken.
  4. De (belangrijkste) kaarttekens en -synbolen kennen die worden gebruikt op: topografische-, water- of luchtvaartkaarten.
  5. Bepaal overdag en 's nachts de tijd met behulp van de hemellichamen.
  6. Tijdens een avond-oriëntatietocht in onbekend gebied oriënteren met een sterrenkaart en maankompas.
  7. Kies een van onderstaande opdrachten:
    1. Tijdens een oriëntatietocht met een trajectlengte van 4 km. alle controleposten binnen 40 minuten hebben gevonden.
    2. Tijdens een oriëntatietocht te water met een trajectlengte van 4 km. alle controleposten binnen 60 minuten hebben gevonden.
    3. Vanaf een luchtfoto tijdens een vlucht 2 van de 3 objecten op de grond herkennen.
  8. Een oriëntatietocht voor je ploeg maken en tijdens het lopen aanwijzingen over de werking en het gebruik van het kompas geven.

 


Eisen Pionieren

  1. De volgende sjorringen maken en weten wanneer ze worden toegepast: kruis-, diagonaal-, vork-, achtvormige-, steiger-, stellage-, woel- en slingersjorring.
  2. De volgende touwverbindingen maken en weten waarvoor ze worden gebruikt: constrictorknoop, derdehandsteek, mastworp met voorslag, rondtorn met 2 halve steken, slippende schootsteek met knevel, steigersteek, stellingplanksteek, topsteek met 3 bochten, visserssteek, vrachtrijderssteek, werpankersteek.
  3. Natuurlijke, paal- en balkverankeringen maken en weten welke verankering in een bepaalde situatie het best kan worden toegepast, rekening houdend met de natuurlijke omgeving.
  4. Benamingen en typen blokken kennen en demonstreren hoe:
    1. een blok moet worden bevestigd aan een vast punt;
    2. een lijn aan een blok moet worden bevestigd;
    3. een staalkabel aan een blok moet worden bevestigd.
  5. Verschillende typen takels kennen en demonstreren hoe deze moeten worden ingeschoren en er veilig mee omgaan.
  6. Met je ploeg of vendel drie verschillende pionier-objecten maken.
    Voor elk object maak je eerst een bouwtekening en/of maquette, stel je een materiaallijst samen en maak je een taakverdeling voor de bouwers. Tijdens het bouwen geef jij de leiding, zodat het object op een veilige wijze wordt gepionierd en leer je de andere scouts de sjorringen.
    De drie te bouwen pionierobjecten zijn:
    1. een uitgebreide kampkeuken;
    2. een object waarin takels worden toegepast;
    3. een object waarin verankeringen worden toegepast.

 


Eisen Roeien

  1. De onderdelen van een roeiboot kennen.
  2. De roeicommando's kennen en laten uitvoeren.
  3. De volgende roeimanoeuvres uitvoeren:
    1. afmeren langszij een schip of aanlegplaats
    2. een acht varen.
  4. De roeiboot met de juiste touwverbindingen afmeren.
  5. Met de boot:
    1. slepen
    2. jagen
    3. bomen
    4. wrikken
  6. Het BPR (Binnenvaart Politie Reglement) kennen, voor zover dit betrekking heeft op roeiboten.
  7. Een dagtocht gemaakt hebben met een roeiboot.
  8. Een roeiboot gedurende een seizoen onderhouden.

 


Eisen Schiemanswerk

  1. De benamingen van onderdelen van een touw kennen. Touwsoorten junnen onderscheiden en weten wat de breeksterkte en veilige belasting van elk soort is. Weten hoe de breeksterkte door touwverbindingen wordt beïnvloed. Weten hoe touw moet worden onderhouden.
  2. Een knopenbord maken, met daarop:
  3. Splitsen:
    1. Spaanse takeling
    2. Oogsplits om een kous òf Vlaamse oogsplits in geslagen touw
    3. Korte splits
  4. Stoppersknopen:
    1. Halve schildknoop
    2. Hele schildknoop
    3. Dubbele schildknoop
    4. Stoppersknoop
    5. Halve sjouwerman
    6. Hele sjouwerman
  5. 2 plattingen uit
    1. Ronde òf vierkante kroonplatting
    2. Engelse platting
    3. Franse platting
    4. Vierkante platting
    5. Ronde platting
    6. Kabelplatting
    7. Bootsmanplatting
    8. Spiraalplatting
    9. Kettingplatting
  6. Maak met een Turkse knoop je eigen dasring.
  7. Maak een werkstuk, waarbij je bijvoorbeeld kunt kiezen uit: stootkussen, allemansendje aan een scheepsbel, geknoopte hengsel aan een kist, hangmat of volleybalnet.

 


Eisen Spelleiding

  1. Weten welke veiligheidseisen in acht moeten worden genomen bij waterspelen, avondspelen en terreinspelen.
  2. Verantwoordelijkheden van de spelleider kennen met betrekking tot terrein, veiligheidseisen en milieu-aspecten.
  3. Twee nieuwe spelen uitleggen aan je eigen ploeg.
  4. Zelf een buitenspel bedenken, een geschikte omgeving kiezen, de materialen hiervoor verzamelen, het spel uitleggen en begeleiden.
  5. Een avondspel of een winteractiviteit organiseren, waarbij je rekening houdt met koude en/of duisternis en het voorkomen van verstoring van de natuur.
  6. In overleg met hun leiding een spel voor Bevers, Welpen, Kabouters of Esta's voorbereiden en laten spelen. Daarbij houd je natuurlijk rekening met de belangstelling en de mogelijkheden van deze leeftijdsgroep.
  7. Samen met andere scouts een grote spelactiviteit organiseren waaraan behalve je eigen vendel ook niet-scouts mee kunnen doen. Omdat je met deze activiteit naar buiten treedt, besteed je veel zorg aan de voorbereiding en presentatie.

 


Eisen Sport

  1. Leg uit wat het belang is van een warming-up en een cooling-down en vertel hoe lang deze fasen duren. Demonstreer de daarvoor benodigde losmakende en rekkingsoefeningen op de juiste wijze.
  2. Verzamel informatie over goed schoeisel, onder- en sportkleding, beschermingsmaterialen en de vereiste lichamelijke verzorging na het sporten. Maak een collage waar je deze informatie in verwerkt.
  3. Speel onder deskundige begeleiding in verenigingsverband een teamsport of sport. Kies hiertoe bijvoorbeeld uit: badminton, basketbal, boogschieten, cricket, dammen, darts, handbal, honkbal, (ijs)hockey, jiu-jitsu, judo, karate, korfbal, rugby, schaatsen, schaken, schermen, softbal, squash, synchroon zwemmen, (tafel)tennis, turnen, valscherm zweven, voetbal, volleybal, waterpolo en zwemmen.
  4. Zorg dat je van je sport de officiële spelregels kent.
  5. Zorg dat je van een andere teamsport of sport ook de officiële spelregels kent. Verzorg een programma voor je ploeg of vendel, waar zij met de sporten kunnen kennismaken.

 


Eisen Sterrenkunde

  1. Verzamel informatie over de zon en de maan en hun invloed op de aarde, de tekens van de dierenriem, de tijdrekening, maanfasen, zons- en maansverduistering, sterren, planeten, kometen en vallende sterren. Laat zien wat je ontdekt hebt en illustreer dit met een plakboek, collages en dergelijke.
  2. Bepaal overdag de tijd met behulp van de zon en 's nachts met behulp van de maan en sterren.
  3. Herken en teken de volgende sterrenbeelden:
    • Cassiopeia
    • Cepheus
    • Draak
    • Grote Beer
    • Kleine Beer

      Lente:
    • Leeuw
    • Maagd
    • Ossenhoeder
    • Tweelingen

      Zomer:
    • Hercules
    • Lier
    • Schorpioen
    • Zwaan

      Herfst:
    • Andromeda
    • Pegasus
    • Perseus
    • Voerman

      Zomer:
    • Grote en kleine hond
    • Orion
    • Stier
    • Zevengesternte
  4. Breng een bezoek aan een planetarium of sterrenwacht.
  5. Maak een eenvoudige sterrenkijker. Vertel hoe je de sterrenkijker gebruikt.
  6. Maak met behulp van je zelfgemaakte sterrenkijker een eenvoudige maankaart.

 


Eisen Toneel - Expressie II
  1. Doe mee aan een toneelstuk, musical of pantomime van ongeveer 10 minuten.
  2. Stel voor jezelf kleding en eventueel requisiten samen, waarmee je drie uiteenlopende typen kunt uitbeelden. Verzin hiermee een verhaal, wat je samen met anderen speelt.
  3. Bezoek een voorstelling in het jeugdtheater of in de schouwburg. Vertel hierover in je vendel, of schrijf er een stuk over in je groepsblad.
  4. Schmink iemand anders van je vendel eerst zo griezelig mogelijk en daarna in allerlei fantasie-kleuren.
  5. Voer naar keuze twee van de volgende onderwerpen uit:
    a. Een zelfbedacht verhaal vertellen aan je vendel.
    b. Samen met anderen een schimmenspel opvoeren.
    c. Met een marionetten- of poppenkastvoorstelling meespelen.
    d. Een goochel voorstelling geven.

 


Eisen Video/Film

  1. Met behulp van een video-recorder een film opnemen, afspelen en wissen.
  2. Een top 3 maken van de (video-)films, die jij goed vindt. Iets meer vertellen over het verhaal, de hoofdrolspelers en de regisseur. Uitleggen wat je zo goed vindt aan deze films.
  3. Samen met anderen een script en scenario maken voor een (video) film. De benodigde kostuums, schmink en requisiten verzorgen.
  4. Weten welke techniek er bij het maken van een film komt kijken. Waar moet je aan denken bij belichting en geluid?
  5. De (video-)film opnemen en monteren.
  6. Zoek bijpassende muziek bij de film en monteer dit zo mogelijk zelf.
  7. Verzorg een feestelijke premiere van de gemaakte (video-)film.

Eisen Wandelen

  1. Verzamel informatie over de juiste (beschermende en reflecterende) kleding, schoeisel, EHBO-setje en rugzak(je), die je tijdens een wandeltocht nodig hebt. Maak er enkele instructieposters voor je vendel over.
  2. Vertel hoe je je voeten voor, tijdens en na een wandeltocht dient te verzorgen.
  3. Demonstreer hoe je blaren, zonnebrand, de beet van een teek en een verstuikte voet behandelt tijdens een wandeling.
  4. De kaarttekens die op een wandelkaart voorkomen kennen en met zo'n kaart een aangegeven wandeling lopen.
  5. Verzamel informatie over paalkamperen en de wettelijke regelingen die daarvoor gelden.
  6. Neem deel aan twee verschillende wandelingen van minstens 20 km.
  7. Neem deel aan een natuurwandeling die door organisaties als I.V.N., Natuurmonumenten en Vogelbescherming worden gehouden.
  8. Geef op een kaart van Nederland de verschillende L.A.W.-routes aan. (L.A.W.= Lange afstand wandelpaden). Loop 1 zo'n route (ca. 20 kilometer) en maak onderweg wat foto's van mooie punten, leuke voorvallen en dergelijke. Gebruik deze foto's om in een fotostripverhaal je ervaringen te presenteren.

 


Eisen Weerkennis

  1. Leg uit hoe een thermometer, barometer en hygrometer werken.
  2. Bouw drie instrumenten. waarbij je kunt kiezen uit: hygrometer, regenmeter, windsnelheidsmeter, windwijzer en zonneschijnmeter.
  3. Houd gedurende 1 maand dagelijks een zelfvervaardigd weerrapport bij. Daarin verwerk je jouw waarnemingen van minstens 5 weersverschijnselen, waarbij je kunt kiezen uit: hoeveelheid neerslag, luchtdruk, luchtvochtigheid, temperatuur, windrichting, windsterkte en uren zonneschijn.
  4. Ga na waar de volksweerkunde op berust. Ga de betrouwbaarheid van 5 van deze regels in de praktijk na (bijvoorbeeld spreuken over dagen, of conclusies die uit het gedrag van dieren zijn af te leiden).
  5. De belangrijkste klimaten, luchtdruk- en windsystemen kennen en uitleggen hoe ze elkaar beïnvloeden.
  6. De 10 hoofdtypen wolkensoorten herkennen en wten welk weertype zij voorspellen. Weerkundige begrippen zoals windkracht, schaal van Beaufort kennen.
  7. Eenvoudige weerkaarten kunnen lezen en de betekenis van de daarop voorkomende grondsymbolen kennen.
  8. Breng een bezoek aan een (amateur)weerstation en bekijk de daar gebruikte instrumenten en registratiemethoden. Breng aan de hand van een collage, dia's of iets dergelijks hierover een verslag uit aan je vendel.

 


Eisen Woudlopen - Bushcrafter

  1. De aanwezigheid van dieren in de natuur kunnen vaststellen aan de hand van vraatsporen, prooiresten, woningen, nesten, wissels en dergelijke. De prenten van 10 zoogdieren en silhouetten van 10 vogels herkennen.
  2. Weten hoe je je in de natuur kunt camoufleren en sluipmethoden demonstreren. Bij zonsopgang of -ondergang dieren bespieden en daarvan een verslag maken.
  3. Weten op welke wijze je kunt vaststellen of planten eetbaar zijn. Dertig eetbare zaden, noten, bessen, vruchten, wortels en bladeren herkennen (in verschillende jaargetijden) en weten hoe deze bereid worden.
  4. Met zelfgemaakt vistuig een vis vangen. Deze vis schoonmaken en bereiden. Vegetariërs bereiden een maaltijd uit andere produkten.
  5. Het verschil uitleggen tussen: rauwkost, geperste salades, blancheren, stoofpot, stomen, fruiten, smoren, bakken, roosteren en poffen. Een voedzame maaltijd van uitsluitend natuurlijk voedsel bereiden, waarin minstens 3 van deze methoden worden toegepast.
  6. Een geschikte plaats voor een houtvuur kiezen, weten wat de nadelen van een grondvuur zijn en hoe je schade aan de grond voorkomt. Een houtvuur aanmaken zonder gebruik te maken van lucifers of aansteker. Alternatieven voor pannen kennen en deze gebruiken bij de bereiding van een maaltijd op houtvuur.
  7. Voer een van deze activiteiten uit:
    1. een mand vlechten
    2. wol spinnen en er iets van breien
    3. een lap weven
  8. Eenvoudige verwondingen met weinig hulpmiddelen en.of produkten uit de natuur verzorgen.
  9. Met eenvoudig kampeermateriaal een weekendkamp houden in de periode december-maart. Demonstreren hoe je met simpele middelen warm en gezond blijft tijdens zo'n winterkamp.
  10. Een zwerftocht van minstens 48 uur door onbekend gebied en met een minimum aan hulpmiddelen goed volbrengen. De schaarse persoonlijke bagage vervoer je met een zelf vervaardigd draagstel/rugzakje. Onderweg verzamel je natuurlijk voedsel, dat op houtvuur bereidt wordt (brood en warme maaltijd). Je overnacht in een schuilhut. Voor vertrek breng je het terrein weer in de oorspronkelijke staat terug.

 


Eisen Zeilen

  1. Boot en tuig 's winters en tijdens het vaarseizoen onderhouden.
  2. De volgende zaken kennen:
    1. de onderdelen van het eigen schip en de terminologie aan boord
    2. knopen en steken
    3. gedragsregels op het water
    4. het BPR, voor zover dit betrekking heeft op zeilboten
  3. De volgende manoeuvres uitvoeren:
    1. aanleggen, afmeren en afvaren van hoger wal
    2. onder alle omstandigheden de juiste stand en bediening van de zeilen toepassen
    3. overstag gaan
    4. gijpen zonder noemenswaardige koersverandering
    5. kruisen
    6. "man-overboord"
    7. loskomen van aan de grond
    8. verhalen van het schip
  4. Bepalen welke manoeuvres je moet gebruiken om een bepaald punt te bereiken en de sturende werking van fok en grootzeil beheersen.
  5. Een globale schatting maken van de windkracht aan de hand van waarnemingen op het water en op het land.
  6. Een invallende bui of een opkomend onweer kunnen zien aankomen en weten hoe je dan moet handelen, zowel op het water als aan de kant en kunnen reven.

 


Eisen Zwerven - Avonturier

  1. Toon tijdens een zwerftocht dat je de volgende routebeschrijvingen beheerst: bolletjesroute, bolletje-pijltje route, vectorroute, oleaat, blinde lijn, vliegkoers, hiërogliefenroute en routeschets.
  2. Toon tijdens een dropping met je ploeg, dat je:
    1. weet waarop je moet letten in verband met de verkeersveiligheid
    2. zorg dat je de rust in je omgeving niet verstoord
    3. in staat zijn kaart- en kompaspuzzels op te lossen
  3. Pak je persoonlijke bagage, voedsel en shelter voor een tweedaagse zwerftocht optimaal in een rugzak in en geef daar een toelichting bij.
  4. Maak enkele instructieposters voor onervaren scouts op je vendel, waar jij je materiaalkennis duidelijk uiteen zet over: rugzaktypen, kleding en schoeisel voor een zwerftocht, slaapzaktypen, slaapmatjes, shelters en schuilhutten.
  5. Maak een zwervers-logboekomslag, waarin de uitgewerkte verslagen en opdrachten, routekaarten en schetsen van de hierna te noemen zwerftochten worden verzameld. Een van deze zwerftochten dient in de winter te worden uitgevoerd.
  6. Loop in een bekende omgeving een tweedaagse zwerftocht met 1 of 2 andere scouts. De persoonlijke bagage, shelter, voedsel en dergelijke dragen jullie in rugzakken mee. Tijdens deze zwerftocht dien je in contact te komen met scouts van een andere scoutinggroep. Met hen voeren jullie een opdracht uit, die samenhangt met dienstverlening aan mensen die niets met Scouting te maken hebben.
  7. Loop een primitieve, tweedaagse zwerftocht met 1 andere scout in onbekende omgeving. De persoonlijke bagage en schuilhut van landbouwplastic dragen jullie in rugzakken mee.
  8. Bereid een driedaagse zwerftocht in onbekend gebied voor, die je samen met 1 andere scout gaat maken. De persoonlijke bagage, shelter/schuilhut, voedsel en dergelijke dragen jullie in rugzakken mee.
    De zwerftocht moet circa 45 km. lang worden, waarbij minstens 8 km. op een afwijkende wijze moet worden afgelegd. Voor de verplaatsing kun je kiezen uit: lopen, (bak-)fietsen, varen of te paard.
    Maak van te voren een routeplan met tijdsplanning, bepaal waar je gaat overnachten, koop het benodigde voedsel in, kies een doel voor je tocht en ontleen daaraan meerdere opdrachten.


Eisen Zwemmen

  1. Veiligheidsvoorschriften demonstreren voor zwemmen in onbekend en open water.
  2. Te water gaan met start-duik, onmiddelijk gevolgd door 8 meter onder water zwemmen.
  3. Te water gaan met startsprong, gevolgd door 25 meter schoolslag binnen 30 seconden.
  4. Gekleed te water gaan met hurksprong, onmiddelijk gevolgd door 100 meter zwemmen. waarvan 25 meter rugzwemmen met zwemslag naar keuze.
    (Gekleed = zwembroek/badpak, T-shirt, blouse met lange mouwen, lange broek, kousen en gymschoenen)
  5. Te water gaan met een rechtstandige sprong voorwaarts gestrekt in stand, onmiddelijk gevolgd door 200 meter zwemmen zonder onderbreking, waarvan 50 meter rugcrawl en 50 meter dubbele overarmslag op de borst.
  6. Van de 1= of 3=meterplank de zweefsprong voorover gestrekt, gehoekt of gehurkt uitvoeren.
  7. 20 meter zwemmen met een polobal. Uit rugligging 8 van de 10 ballen in een waterpolodoel werpen vanaf 7 meter afstand.
  8. Met je ploeg aan een van de volgende spelen deelnemen:
    1. waterpolo
    2. waterkorfbal

 


Eisen Zwemmend Redden

(Als je in het bezit bent van het KNBRD-brevet 5, kun je de eisen 1 t/m 8 overslaan)

  1. Staande aan de rand van het bassin een lijn, reddingsboei of -klos werpen naar een pseudodrenkeling, die zich op 10 meter afstand in het water bevindt. (Ten hoogste 2 pogingen). Hierna de pseudo-drenkeling inhalen en met hulp van een derde de pseudo-drenkeling op de kant brengen.
  2. Op het droge achtereenvolgens de handelingen ter bevrijding uit de enkele polsgreep, de dubbele polsgreep van onderen, de dubbele polsgreep van boven, de voorwaartse omklemming en de achterwaartse omklemming demonstreren.

In zwemkleding uitvoeren:

  1. Te water gaan van de basisrand met de hurksprong. Vervolgens zwemmen met een borstslag naar een in zwemkleding geklede pseudo-drenkeling en achtereenvolgens de handelingen ter bevrijding uit de enkele polsgreep, de dubbele polsgreep van onderen, de dubbele polsgreep van boven, de voorwaartse omklemming en de achterwaartse omklemming demonstreren. Na iedere polsgreep aansluitend de pseudo-drenkeling vervoeren over een afstand van telkens 5 meter in de houdgreep. Na de overige bevrijdingsgrepen telkens een afstand van 5 meter vervoeren in respectievelijk de polsgreep en de okselgreep.
  2. Te water gaan van de bassinrand met de startsprong, onmiddelijk gevolgd door 14 meter onderwaterzwemmen.
  3. Te water gaan van de bassinrand met de hurksprong en vervolgens een in zwemkleding geklede pseudo-drenkeling over een afstand van 10 meter vervoeren in respectievelijk de kopgreep, de okselgreep, de polsgreep en de schoudergreep. Deze vervoersgrepen moeten achter elkaar worden uitgevoerd zonder het contact met de pseudo-drenkeling te verliezen.

De volgende drie eisen moeten gekleed gedaan worden. (gekleed = zwembroek/badpak, T-shirt, blouse met lange mouwen, lange broek, kousen en gymschoenen.)

  1. Te water gaan van de bassinrand met de hurksprong en vervolgens 10 meter zwemmen met de borstslag. Daarna een pop van de bodem halen, die op tenminste 2 meter diepte ligt.
  2. Een pseudo-drenkeling zwemmend redden.
  3. Te water gaan van de bassinrand met de startsprong, vervolgens 125 meter zwemmen in een borstslag. Aansluitend 75 meter zwemmen met een enkelvoudige rugslag, waarbij een stokje met twee handen, zoals bij de kopgreep, boven het water moet worden vastgehouden.
  4. Kunstmatige beademing demonstreren op een pop.
  5. Jezelf met een paalsteek en een pseudo-drenkeling aan wal helpen in het zwembad.
  6. Weten wat je bij onderkoeling en kramp moet doen.
  7. Vertellen hoe je, als je door het ijs zakt, weer boven water kunt komen.


Eisen Snorkelen

  1. Zwemmen.
    1. 50 m. Borstcrawl in redelijk goede stijl.
    2. 150 m. Schoolslag; op elke baan van 25 m. een bordje opduiken vanaf minstens 2 m. diepte.
    3. 15 m. aaneengesloten onder water zwemmen.
  2. Snorkelen met basisuitrusting (= masker, snorkel, zwemvliezen en loodgordel):
    1. Met rechtshandige sprong voorwaarts te water gaan, onmiddelijk gevolgd door 150 m. snorkelen. Op elke baan van 25 m. een rol voorover maken.
    2. Onder water zwemmen over een afstand van 10 m.
      Vervolgens de drenkelingpop, die op een diepte van tenminste 2 m. op de bodem aanwezig is, opduiken en deze in de kopgreep naar de oppervlakte brengen.
      Aansluitend de drenkelingpop over een afstand van minimaal 2,5 m. naar de bassinrand vervoeren en de drenkelingpop zodanig aanreiken, dat helpers hem uit het water kunnen halen. Tijdens het vervoer moet het gezicht van de drenkelingpop boven water worden gehouden.
    3. 50 m. Buddybreathing:
      Aan de oppervlakte van het water dienen 2 scouts zich 50 m. snorkelen voort te bewegen, waarbij één snorkel wordt gebruikt. De gezichten dienen hierbij onder water te blijven. Uitsluitend door de cirkel in- en uitademen.
    4. Over een afstand van 50 m. een drenkelingpop in kopgreep vervoeren.
    5. Vanuit zit op de bassinrand met rol achterover te water gaan. Het masker op een diepte van minstens 2 m. twee keer leegblazen (masker vol met water leegblazen en op het gelaat plaatsen, daarna het masker weer vol laten lopen, leegblazen en op het gezicht plaatsen).
      Met leegblazen masker op het gezicht aan de oppervlakte komen, waarbij de handen niet aan het masker mogen zijn.
  3. Behendigheid
    1. Aan de oppervlakte van het water met de armen om je opgetrokken knieën geslagen gedurende 1 minuut drijven, waarbij geademd wordt door de snorkel.
    2. Met een hoekduik naar de bodem tot een diepte van tenminste 2 m. (bij voorkeur tot een diepte van 4 m.), daar uitademen en vervolgens opstijgen.
    3. 50 m. Snorkelen met gebruik van één zwemvin.

 



Eisen Trapper

  1. Voer twee van onderstaande activiteiten uit:
    1. 15 km. hardrijden op een fiets;
    2. 7,5 km. hardrijden op de schaats;
    3. 5 km. hardlopen;
    4. 4 km. kanoën op tijd;
    5. 2 km. roeien op tijd;
    6. 500 m. zwemmen op tijd.
  2. Neem deel aan een postenprogramma, dat bestaat uit:
    Verplicht deel:
    1. een trappersbaan bestaande uit 8 onderdelen op tijd;
    2. 10 meter buikschuiven over water;
    3. 6 meter touwklimmen en met treksteek naar beneden klimmen;
    4. 2 km. cross country;
    5. 15 meter met handen en voeten hangend aan een touw verplaatsen.
  3. Keuzedeel (4 van de 7):
    1. 8 meter mastklimmen;
    2. schutting van 2 meter hoogte beklimmen;
    3. over natte sloot van minstens 2,5 meter springen;
    4. yakardraaien of ropespinning;
    5. sluipen;
    6. vlegelhangen;
    7. paalwerpen.
  4. Loop een zwerftocht in onbekend gebied met 1 andere scout. De zwerftocht moet minstens 35 km. lang zijn en dient minimaal 3 km. in het donker te worden gelopen.
    de routebeschrijving bestaat uit summiere beschrijvingen, kaart- en kompaspuzzels, spoortekens, oriëntatie op de sterren, en dergelijke.
  5. Tijdens de tocht dien je in 4 situatie handelend op te treden, waarbij je kunt denken aan:
    1. eerste hulp verlenen bij onderkoeling, brandongeval, ernstige bloedingen of onvoldoende ademhaling.
    2. zwemmend redden en de drenkeling aan de wal brengen;
    3. oversteek van een vaart met een touwbrug, kabelbaan ofmiets dergelijks;
    4. rivier overzwemmen, waarbij de bagage op een zelf geconstrueerd vaartuig wordt vervoerd;
    5. iemand uit een wak redden.

  6. De sobere hoeveelheid persoonlijke bagage en de schuilhut worden in rugzakken meegedragen.
    Het benodigde brood bak je onderweg zelf boven een houtvuur, terwijl een deel van de ingrediënten voor de warme maaltijd tijdens de tocht wordt verzameld (eetbare planten, vis en dergelijke). Je kookt zonder pannen.
  7. Je overnacht in een tevoren geprepareerde schuilhut van landbouwplastic. Tijdens de hele zwerftocht toon je in harmonie met de natuur te kunnen leven. In een logboek werk je het verslag van deze zwerftocht en de opdrachten uit.

 



Eisen Vliegeren

  1. De veiligheidseisen bij het vliegeren kennen en deze toepassen.
  2. Bouw een vlieger die uit meerdere delen bestaat, of bouw een matrasvlieger.
  3. Met een bestuurbare vlieger een 8 vliegen.
  4. Een vlieger ontwerpen, bouwen en deze vervolgens oplaten en tenminste 15 minuten onafgebroken in de lucht houden.

 


Eisen Vliegtuigherkenning

  1. Een categorie vliegtuigen kiezen en er een verzameling over aanleggen.
  2. Een vliegtuigherkenningsspel van 50 vliegtuigen samenstellen, waarvan je er zelf 45 herkent.
  3. Met je ploeg het vliegtuigherkenningsspel doen.

 



Eisen Valschermzweven

  1. Algemene kennis van regeling valschermzweven en B.V.R. hebben.
  2. Algemene theoretische kennis over parachutes hebben.
  3. Op de juiste manier met het materiaal omgaan:
    1. uitleggen parachute
    2. bollen
    3. aankoppelen
  4. Kennis van en bedrevenheid in het geven van starttekens.
  5. 4 tandemvluchten maken, waarvan tenminste 2 met verlengde stuurtokkels.
  6. Een logboek van je vluchten bijhouden.
  7. Tenminste 3 vliegdagen bijwonen.

 



Eisen Plantenkennis

  1. Tien bomen, tien planten en tien vruchten kennen.
  2. Zet met vier grondpennen en lint een stukje gras af (geen gazon). Maak een overzicht van de planten die je daarin tegenkomt.
  3. De belangrijkste bladstanden, bladvormen en bloeiwijzen kennen en met behulp van een determineertabel 10 verschillende planten op naam brengen.
  4. Maak een herbarium van 25 planten (gedroogd, op foto of tekening) met informatie over de familie waartoe ze behoren en de omgeving waarin ze voorkomen.
  5. Weten welke wettelijke maatregelen zijn getroffen om plantensoorten in Nederland te beschermen.
  6. Minstens 10 beschermde planten kennen en herkennen. Weten waar je in jouw omgeving bedreigde planten kunt vinden.
  7. Uitleggen wat de gevolgen van vervuiling zijn voor de plantenwereld.
  8. Een groot aantal organisaties houdt zich bezig met de natuurbescherming en -beheer van planten en bomen, zowel in Nederland als daarbuiten. Leg contacten met een organisatie en help ze gedurende minimaal 6 weken bij hun dagelijkse werk of bij een speciale actie.

 



Eisen Dierkunde

  1. Tien zoogdieren, tien vogels en tien insekten rond clubhuis en je eigen huis of in het park kunnen herkennen. Weten waarom ze juist daar leven, hoe en waar ze wonen en wat ze eten.
  2. Zet met vier grondpennen en lint een stukje gras (geen gazon) van 1 vierkante meter af en maak een overzicht van de dieren die je daarin tegenkomt.
  3. Bestudeer 5 diersoorten die hier vroeger veel voorkwamen en leg uit hoe ze (bijna) zijn verdwenen.
  4. Weten welke wettelijke maatregelen zijn getroffen om diersoorten in Nederland te beschermen.
  5. Kies een huisdier en probeer aan de weet te komen over z'n "wilde" familie; wat zijn de overeenkomsten/verschillen?
  6. Kies een (inter)nationale organisatie uit die zich bezighoudt met de bescherming van dieren en probeer daar zoveel mogelijk aan de weet te komen.
  7. Kies een gebied buiten Europa uit en bestudeer het dierenleven daar. Wat voor dieren komen er voor, waar leven ze van en hoe wordt er over die dieren gedacht (maatschappelijke functie: trekdier of heilige koe, enz.).


Eisen Werfbaas

  1. Weten welke verschillende vaartuigen bij de waterscoutinggroepen gebruikt worden en de onderdelen van deze vaartuigen kennen.
  2. Met je ploeg een vaartuig op het droge halen en dit op de juiste wijze opbergen.
  3. Een vaartuig, rondhout, zeilen en tuigage voor de winter kunnen opbergen.
  4. Kleine reparaties aan een vaartuig, rondhout, tuig en tuigage kunnen beoordelen en uitvoeren.
  5. Van de opdrachten 5 tot en met 7 moet je er tenminste twee doen:
    1. Met je ploeg onder jouw leiding een vaartuig schuren, schilderen en klaar maken voor het zomerseizoen. Weten hoe je omgaat met resten verf, kwasten reinigen e.d.
    2. Weten welke gereedschappen, materialen en grondstoffen nodig zijn voor het vaarklaar maken.
    3. De soorten staaldraad en touwwerk voor staand en lopend want kennen en deze aanbrengen.
    4. Verschillende soorten blokken en hun onderdelen kennen, ze gebruiken en aanbrengen.
    5. De meest voorkomende soorten tent- en zeildoek kennen en weten waarvoor ze worden gebruikt.
    6. De zeilplaat en -naald gebruiken: een oogsplits om een kous maken en de zeilmakerssteek kennen.

 



Eisen Tolk

  1. Met iemand in een andere taal een gesprek kunnen voeren. Daarin iets over Scouting in Nederland vertellen, de weg kunnen wijzen, boodschappen doen, wat vertellen over de plaats waar je woont en een van je hobbies.
  2. De termen uit de Scouting-woordenlijst in deze taal kennen.
  3. Verzamel informatie over het land, de belangrijkste toeristische attracties, leef- en eetgewoonten en Scouting. Maak hiermee een geïllustreerde brochure.
  4. Correspondeer 6 ronden met een meisje of jongen uit dat land.
  5. Tolk 4 gesprekken van 2 leeftijdsgenoten.

 



Eisen Surfen

  1. Demonstreren hoe je een plank moet onderhouden en benoem de onderdelen.
  2. De plank correct (overeenkomstig de lichaamskracht) tuigen en te water laten.
  3. Afvaren van de wal zonder in het water te vallen.
  4. De volgende manoeuvres uitvoeren en zeiltermen kennen:
    1. stand en bediening van het zeil
    2. overstag gaan
    3. gijpen
    4. opkruisen in breed water
  5. Van het BPR de bepalingen kennen voor kleine vaartuigen.
  6. Vijf keer in de juiste houding een uitgezette olympische baan varen.
  7. Ongeveer 1 kilometer voor de wind gaan en weer terugkruisen (dit alles zonder in het water te vallen en met minstens windkracht 4).
  8. De noodmaatregelen toepassen en veiligheid bij het surfen (onder)kennen. Onder andere onderkoeling en gebruik van zwemvest.

 


Eisen Textiele Werkvormen

  1. Haak of brei een eenvoudige kledingstuk, dat ook inderdaad door iemand gedragen zal kunnen worden. In het kledingstuk zijn tenminste drie verschillende steken verwerkt.
  2. Weten wat de gevolgen zijn van het gebruik van verschillende dikten naalden, verschillende soorten garens
  3. In staat zijn een eenvoudig, goed afgewerkt kledingstuk naar patroon te maken. Patroontekens kunnen lezen en het patroon kunnen overbrengen op stof. Om kunnen gaan met een naaimachine en het verschil in gebruik tussen de meest voorkomende steken kennen.
  4. Een eenvoudig gebruiksvoorwerp (pannelap, schort, theemuts, tafelkleedjes) in elkaar zetten en versieren met een van de volgende technieken:
    1. kruissteekjes
    2. patchwork
    3. applicatie
    4. doorstopwerk
    5. smyrna
  5. Op de hoogte zijn van de nieuwste modetrends. Maak een college waarin je de nieuwste silhouet bespreekt; de kleuren, de stoffen en de lijn van de mode. Maak vergelijkingen met eerdere trends en geef een oordeel over de draagbaarheid van de nieuwste kleding.
  6. In staat zijn eenvoudige reparaties te verrichten (knopen aanzetten, zomen herstellen, sokken stoppen) en weten hoe veel voorkomende vlekken bestreden worden.

 


Eisen Schaatsen

  • Een redelijke schaatstechniek demonstreren en de schaats-bewegingstheorie verklaren.
  • De schaatsen dagelijks en aan het eind van het seizoen onderhouden.
  • Weten welke kleding je bij het schaatsen draagt en hoe je je kleedt tegen bevriezingsverschijnselen.
  • Weten wat te doen bij slecht ijs, scheuren en dergelijke. Wakken en zwakke plekken in het ijs weten te herkennen. Demonstreren hoe je handelt bij ongelukken door de schaats veroorzaakt, door het ijs zakken en bij onderkoeling.
  • Organiseer samen met de leiding van je vendel een schaatsmiddag.

Kies uit de volgende 2 opdrachten:

  • Hardrijden.
    1. Leg volgens de eisen van de KNSB de volgende proeven af:
      • de slalomproef binnen 23 seconden
      • de start- en remproef binnen 21 seconden
      • een langebaanproef van 8 kilometer afleggen
    2. Neem deel aan een toertocht van minimaal 15 km.
  • Kunstrijden.
    1. Beheers de eisen voor het kunstrijden diploma F van de KNSB:
      • voorwaarts buitenwaarts acht (voorgetrokken)
      • voorwaarts binnenwaarts acht (voorgetrokken)
      • lentefiguur achterwaarts
      • voorwaarts binnenwaarts drieën links en rechts
      • pirouette op 1 been; spot.
    2. Studeer een eenvoudige kuur in en laat deze aan je ploeg zien

(Met dank aan scoutquest)



Eisen Radiotechniek

  1. Weten wat stroom, spanning en weerstand is en deze kunnen meten met behulp van een universeelmeter. De wet van Ohm kunnen toepassen.
  2. Diverse electronica componenten kunnen herkennen, zoals: weerstand, condensator, spoel, diode, transistor en IC. Weten hoe deze aangesloten moeten worden. Met behulp van de kleurcodering de waarde van de weerstand bepalen.
  3. Een goede soldering kunnen maken en weten hoe dioden, transistoren en IC's zonder beschadiging moeten worden gesoldeerd.
  4. Zelf een eenvoudig electronica werkstukje maken.
  5. De werking van een EN-, OF-, NEN- en invertor-poort kennen. Weten hoe digitale bouwstenen er uit zien en hoe ze aan te sluiten.
  6. Het internationale spellingsalfabet kennen en kunnen gebruiken in een spel.
  7. Een kortegolf-ontvager bedienen en een logboek aanleggen met daarin minimaal 10 beluisterde radiostations. Van iedere station moet de frequentie, de naam, de tijd en de uitzendmode worden gelogd en maak mogelijk een ontvangstrapport.
  8. Actief meedoen aan een Jamboree-On-The-Air.

 


Eisen Loods

  1. Het BPR (Binnenvaart Politie Reglement) redelijk goed kennen.
  2. De reglementen op de grote rivieren kennen.
  3. De betekenis van de betonning en bebakening op de Nederlandse wateren.
  4. Getijtafels en de almanak voor Watertoerisme gebruiken.
  5. Kennis hebben van anker- en aanlegplaatsen, de diepte van de vaarwateren en de afmetingen van sluizen en bruggen in jouw omgeving.
  6. Een waterkaart met en zonder kompas oriënteren en gebruiken.
  7. Een horizonschets maken.
  8. Kunnen loden met een slaggaard op een zich voortbewegend vaartuig.
  9. Op kompas varen.

 


Eisen Milieu

  1. Kies een milieu-onderwerp dat in de actualiteit is en maak er je eigen nieuwsbrief over: wat zijn de achtergronden, hoe is het ontstaan, welke tegengestelde belangen zijn er, etc.
  2. Maak een plattegrond van de gemeente waar je woont en teken hierop in de instellingen die op de een of andere wijze met milieu te maken hebben, bijvoorbeeld waterzuiveringsinstallatie, afvalverwerking, milieu-educatie-centrum, groemvoorziening, openbaar vervoer, etc. Leg uit waarom je ze opgenomen hebt. Beschrijf drie dingen die in je gemeente gebeuren die je positief vindt voor het milieu en drie dingen die je negatief vindt. Hoe zou je die laatste kunnen veranderen?
  3. Maak een milieuspel en speel dat met je ploeg of vendel.
  4. Maak een tentoonstelling over de watervoorziening in Nederland. Denk bijvoorbeeld aan de waterkringloop, de winning van drinkwater, neerslag, water voor de landbouw en de bedreigingen van deze watervoorziening.
  5. Bedenk hoe je in het kamp het afval kunt scheiden en zinvol kunt verwijderen. Voer dit ook uit in een kamp van tenminste vier dagen.

 


Eisen Modelbouw

  1. Bouw een schaalmodel (plastic of hout) van een vliegtuig, boot of trein die in Nederland wordt gebruikt.
  2. Beschilder het in de goede kleuren.
  3. Plaats het in een levensechte situatie.
  4. Zoek de geschiedenis bij je schaalmodel en maak daarvan een boekje.
  5. Toon het model aan je ploeg en geef er een toelichting bij.

 


Eisen Modelvliegen

Kies of je eisen van het zweefmodel of motormodellen doet.

      Cat. Zweefmodellen.(spanwijdte tussen 1,20 en 3,00 meter)

  1. Voldoen aan de volgende eisen:
    1. Kennis en inzicht bezitten omtrent veiligheid, termiek en keuze vliegterrein.
    2. Model in elkaar zetten en startgereed maken.
    3. Drie keer assisteren bij het maken van een leirstart (minstens 50 meter lijn).
    4. Drie keer uitvoeren van een goede lierstart.
    5. Drie keer op de juiste wijze tijd opnemen.
  2. Zelf een zweefmodel bouwen met een spanwijdte van minstens 1,2 meter (mag uit een bouwdoos). Het model moet constructief goed en degelijk zijn gebouwd; de afwerking moet correct zijn. Het model moet goed zijn uitgebalanceerd.
  3. Op een dag 4 vluchten maken, waarbij het model wordt opgetrokken aan een lijn van 50 meter.
  4. De totaallijn van de drie beste vluchten moet minstens 100 seconden bedragen. (De tijd wordt gemeten vanaf het moment dat de lijn wordt gelost tot het moment dat het model op grond of een voorwerp raakt). N.B. Het model mag worden voorzien van een "timer".

Cat. motormodellen. (lijnbesturing)

  1. Voldoen aan de volgende eisen:
    1. Kennis en inzicht bezitten omtrent veiligheid, gloeiplugmotoren en keuze vliegterrein.
    2. Drie keer meehelpen in de pits.
    3. Drie keer model opgooien.
    4. Drie keer een start maken uit de hand of vanaf de grond.
    5. Drie keer minimaal 6 ronden vliegen en de vluchten afronden met een goede landing.
    6. Drie keer op de juiste wijze tijd opnemen.
  2. Zelf een lijnbestuurd motormodel bouwen (mag uit een bouwdoos). Het model moet constructief goed en degelijk zijn gebouwd; de afwerking moet correct zijn. Het model moet goed zijn uitgebalanceerd.
  3. Op een dag 4 vluchten maken.
  4. 1 van de vluchten moet voldoen aan onderstaande eisen:
    1. Een afstand van 1 km. afleggen met een snelheid van minstens: 80 km/u bij een cilinderinhoud van 1,0 - 2,0 cc of 120 km/u bij 2,0 - 5,0 cc.
    2. Of met een kunstvluchtmodel de volgende manoeuvres uitvoeren: Start (loskomen van de grond) - horizontale vlucht (minstens 2 ronden) - stijgvlucht - duikvlucht - wingover - looping achterover - landing.

 


Eisen Motortechniek

  1. De werking van een kleine tweetakt- en een kleine viertakt-motor verklaren.
  2. De aansluitingen van brandstofleidingen tussen tank en pomp en tussen pomp en carburateur controleren.
  3. Kennis hebben van de opbouw van de ontstekingsinstallatie (bobine, onderbreker, verdeler, condensator en bougies) en de meest voorkomende storingen verhelpen.
  4. De werking kennen van het koelsysteem van een buitenboordmotor of automotor.
  5. Inzicht hebben in de werking van een waterpomp.
  6. Een sproeier en een bougie reinigen.
  7. Een buitenboordmotor met de juiste (smeer-)middelen een winterbeurt geven. Weten hoe je omgaat met brandstof en andere chemische produkten, zodat je het milieu niet vervuilt.

Eisen Muziek

  1. Het notenschrift kunnen lezen en gebruiken.
  2. Drie verschillende stukjes op een muziekinstrument instuderen en aan je vendel laten horen.
  3. Klassieke muziek, concert of operette hebben beluisterd, thuis, in concertzaal, schouwburg of clubhuis.
  4. Tien muziekinstrumenten benoemen en herkennen en deze muziekinstrumenten op gehoor onderscheiden.
  5. Een cassettebandje met jouw top 5 maken, waarbij je de verzamelde informatie van groepen en zangers/zangeressen in de aankondiging van de nummers verwerkt.
  6. De muziek bij een hoorspel of diaklankbeeld verzorgen.
  7. Een kampvuurlied aan je vendel leren.

 


Eisen Natuurbeheer

  1. Onderzoek met je ploeg de oorzaken van de volgende dingen en geef je bevindingen weer in een geïllustreerd verslag, poster of iets dergelijks:
    1. watervervuiling;
    2. luchtvervuiling
    3. afvalverwerking;
    4. erosie en bodemvervuiling.
  2. Maak een "check-list" voor kampeerders en hikers van dingen die je moet doen of juist niet moet doen, als je de natuur niet wilt beschadigen.
  3. Maak een studie van bij 15 in je omgeving voorkomende planten en dieren en maak een lijst van die soorten die in jouw omgeving voorkomen, maar bedreigd worden.
  4. Doe twee van de volgende activiteiten:
    1. Doe in een glazen pot wat modderwater uit een rivier en laat dat 6 uur staan.
    2. Wat zie je gebeuren? Kun je bedenken waar deze grond vandaan komt en waarom?
    3. Laat door middel van een proef zien welke effect goede of slechte grond heeft op ontkiemde zaden.
    4. Laat zien hoe mist kan ontstaan.
    5. Hou een weer-dagboek bij gedurende een maand. Neem daarin op de hoeveelheid regen, zon, mist, temperatuur, windsnelheid en -richting en vochtigheid.
    6. Leg een verzameling aan van 10 gipsafdrukken van sporen van in het wild levende dieren.
    7. Laat bijvoorbeeld in een plakboek zien waarom zoveel dieren in de wereld met uitroeiing bedreigd worden.
    8. Maak een tekening van de waterkringloop waarin de volgende dingen voorkomen: neerslag, grondwater, verdamping, uitwaseming.
  5. Doe twee van de volgende activiteiten:
    1. Leg een natuurspoor aan en houd dat bij.
    2. Realiseer wintervoeding voor in het wild levende dieren (in overleg met de beheerder van het terrein) en vogels.
    3. Leg een vijver aan voor vissen, vogels of amfibieën en verzorg hen ook.
    4. Bouw een waarnemingspost, observeer dieren en maak verslag van je waarnemingen.
    5. Help (een deel van) de oevers van een beek of rivier schoon te maken.
    6. Organiseer een anti-afvalactie.
    7. Bedenk zelf een dergelijke activiteit en voer die, na overleg met je leid(st)er uit.
  6. Neem deel aan een bestaand project dat je eigen omgeving kan verbeteren, bijvoorbeeld een plaatselijke, nationale of internationale natuurbeheersactiviteit.

 


Eisen Paardrijden

  1. Algemene kennis hebben van de gewoonten van het rijpaard.
  2. Demonstreren hoe een paard gedrenkt, gevoerd en verzorgd moet worden en de stal op de juiste wijze verschonen; een ponypaard zadelen en optuigen.
  3. De onderdelen van het hoofdstel, zadel en bandages kennen en demonstreren hoe deze onderhouden worden.
  4. De verkeersregels voor ruiter/amazone en paard kennen en deze tonen, als je in een groep rijdt.
  5. In de juiste houding met de pony/het paard in stap draf en galop rijden en de volgende figuren correct rijden: De grote volte, volte halve baan, slangevolte, volte rechts en links omgekeerd; de gebroken lijn, de grote acht; over de diagonalen van hand veranderen; door een "S" van hand veranderen.
  6. Rijdend op een pony/paard over enkele eenvoudige hindernissen springen.
  7. Een bezoek brengen aan een zadelmaker of hoefsmid en daarover een presentatie verzorgen voor je ploeg of vendel.
  8. De bezwaren kennen van opzetteugels en slecht passend hoofdstel en zadel. Enige kennis van hoefbeslag hebben.
  9. Enkele vaak bij paarden voorkomende kwalen kennen, kunnen opmerken en weten hoe je dan moet handelen. Hrt adres en telefoonnummer van de/een plaatselijke veearts kennen.

 


Eisen Organisatie

  1. Aan drie districts-/regionale admiraliteits, of landelijke activiteiten hebben deelgenomen.
  2. Aan de voorbereiding van drie bijeenkomsten in je vendel meegewerkt hebben.
  3. Een draaiboek, inclusief materiaallijst en begroting van een middagactiviteit voor je vendel gemaakt, mee uitgevoerd en nabesproken hebben.
  4. Aankondiging en informatie voor de deelnemers aan een activiteit meeverzorgd hebben.
  5. Van een actviteit met maximaal 24 deelnemers en gedurende 2 dagen weten:
    1. de organisatie
    2. de planmatige voorbereiding en uitvoering
    3. de publiciteit;
    4. de materiaalorganisatie en de begroting;
    5. de samenwerking tussen de organisatoren onderling en met de deelnemers
    6. nabespreken

 


Eisen Grafische Technieken

  1. Leg uit wat een hoogdruk, vlakdruk en diepdruk zijn en toon van elk voorbeelden.
  2. Maak 4 werkstukken met 4 verschillende druktechnieken. Kies hierbij uit: zeefdruk, linosnede, houtsnede, ets, litho, textieldruk, monotype, fotokopiëren, sjabloneren, droge naald, thinnerdruk of fotogrammen.
  3. Maak zelf papier en toon aan je vendel hoe dit gaat.
  4. Ontwerp 5 pictogrammen die in de blokhut zouden kunnen hangen.
  5. Maak een affiche om leden of leiding te werven.
  6. Ontwerp een alfabet.
  7. Maak een beeldmerk van jouw Scoutinggroep en teken of druk dit op textiel (b.v. een T-shirt).

 


Eisen Journalist

  1. Werk minimaal aan 3 edities als redactielid mee aan het groepblad/schoolblad. Lever zowel een zinvolle bijdrage aan het redactiewerk en publiceer een artikel.
  2. Maak duidelijk hoe de vormgeving van het blad in elkaar zit en wat de uitgangspunten van de lay-out zijn.
  3. De verschillen tussen de vloeistofduplicator, stencilmachine, kopieermachine en offset kennen. In staat zijn in het door jullie gebruikte apparaat inkt en papier aan te vullen en schoon te maken.
  4. Interview een jou onbekende plaatsgenoot, die voor je groep van belang is en publiceer je interview.
  5. Raadpleeg 3 verschillende kranten of tijdschriften over hetzelfde onderwerp. Doe verslag van de verschillende standpunten en schrijfwijzen die je tegenkomt.
  6. Voer een klein onderzoekje uit hoe lezers het groepsblad/schoolblad waarderen.
  7. Ken de belangrijkste correctietekens voor drukproeven.
  8. Bezoek een drukkerij en publiceer daarover in je clubblad.

 



Scouting Kralingsche Troep