Kralingsche Troep - Scouts - Klasse-eisen - 3e+2e klasse-eisen

Kompas (naar 3e klasse)
(naar 2e klasse)

1. Inleiding
2. Nader uitgelegdKompasroos, het kompas, 5 handgrepen

(3. n.v.t.)
4. Spelen

1. Inleiding
Bij kompas-technieken gaan we het hebben over de windstreken, waar een kompas uit bestaat, hoe je een kompas gebruikt en de vijf kompashandgrepen worden behandeld. Als je de basis-technieken van het kompas door hebt, dan is het wellicht ook interessant om de kaart erbij te pakken.
De hand-out is bedoeld om uit te reiken aan de scouts. Zodoende hebben zij alle informatie bij de hand. Alleen het uitreiken van een hand-out is echter niet voldoende. Er zal de nodige uitleg bij nodig zijn. Onder het kopje nader uitgelegd bevindt zich een uitgebreide uitleg over de hand-out.
Zelfs al lijkt de theorie nog zo simpel voor de scouts, de praktijk blijkt toch altijd weer tegen te vallen. Om ook nog de nodige praktijk ervaring op te doen en omdat het gewoon leuk is, zijn er ook nog wat spelen bijgevoegd waarbij de kompas kennis nodig is.
Iedereen veel succes gewenst met de kompas technieken!

2. Nader uitgelegd

2.1 Kompasroos

2.1.1 In streken
Een kompasroos kan verdeeld worden in 64 streken. Iedereen kent wel de vier hoofdstreken, omdat dit niet een heel duidelijke verdeling is, is er tussen die hoofdwindstreken nog een windstreek gemaakt, de hoofdtussenstreek. Ook tussen de hoofdtussenstreek is weer een windstreek gemaakt, de tussenstreek. En tot slot, iets dat niet veel gebruikt wordt, maar wel leuk is om te weten, ook de tussenstreken zijn weer door het midden gedeeld, met de tenstreek of bijstreek. En deze bijstreken zijn weer verdeeld in halve streken en zo kom je op een verdeling van 64 streken.
4 Hoofdstreken
(noord, oost, zuid en west)
4 Hoofdtussenstreken
(noordoost, zuidoost, zuidwest en noordwest)
8 Tussenstreken
(nno, ono, ozo, zzo, zzw, wzw, wnw, nnw)
16 Bij- of tenstreken
(nto, notn, noto, otn, otz, zoto, zotz, zto)
(ztw, zwtz, zwtw, wtz, wtn, nwtw, nwtn, ntw)
32 Halve streken
(n1/2o, nto1/20, nno1/2o, no1/2n, no1/2o, noto1/2o, ono1/2o, o1/2n)
(o1/2z, ozo1/2o. zoto1/2o, zo1/2o, zo1/2z, zzo1/2o, zto1/2o. z11/2o)
(z1/2w. ztw1/2w, zzw1/2w, zw1/2z, zw1/2w, zwtw1/2w, wzw1/2w, w1/2z)
(w1/2n, wnw1/2w, nwtw1/2w, nw1/2w, nw1/2n, nnw1/2w, ntw1/2w, n1/2w)

Bij scouting zullen we niet meer dan de eerste 16 streken gebruiken, over het algemeen, maar het is wel leuk om ze een keer te noemen. Zo kan je laten zien dat er meer is dan graden alleen in de wereld van de kompas. Er wordt vaker gebruik gemaakt van de verdeling in graden.
Militairen gebruiken tegenwoordig 64 delen.
(Deze militaire kompassen zijn nog wel eens uitgerust met een roos die verdeeld is in 6400 duizendsten. De reden hiervoor is dat een zo'n mil vrij goed overeenkomt met een meter op een kilometer afstand. De artillerie kan hiermee bij inschieten vrij eenvoudig het geschut op het doel richten.)

2.1.2 In graden
Behalve in 64 streken kan de kompasroos ook worden verdeeld in 360 graden. Elke streek meet dus 11 1/4 graad en elke halve streek 5 5/8 graad.

2.1.3 West om of Oost om
De graden en streken verdeling kan zowel oost om als west om voorkomen. Als we rekenen van het Noorden over het Oosten naar het Zuiden over het Westen, dan is het oost om.

2.2 Het kompas
Het kompas is het gemakkelijkste hulpmiddel om het Noorden te bepalen. Er zijn verschillende soorten kompassen. Aangezien het meest gebruikte kompas de recta is en deze het meest geschikt is voor het gebruik door scouts, zullen we ons met name op de werking van dit kompas richten.
Elk kompas bestaat uit de volgende onderdelen:

  1. Een kompashuis, waar spiegel en roos aan zijn bevestigd.
  2. Een roos, die in het huis kan draaien, en verdeeld is in graden of streken.
  3. De spiegel, deze moet je in een hoek van 45 graden omhoog zetten, hierdoor kun je gemakkelijk zien of de naald "inspeelt".
  4. De naald, het belangrijkste onderdeel is de naald. Deze heeft de eigenschap dat zij altijd naar het magnetische noorden wijst. Het noorden wordt met de lichtgevende pijl en het zuiden met de stip of punt aangegeven. Het magnetische noorden en het werkelijke noorden vallen niet samen. Deze afwijking wordt declinatie genoemd. Het magnetische noorden ligt westelijk van het werkelijke noorden. Op het kompas wordt dit aangegeven met een klein lichtgevend streepje.
  5. Bij het instellen van je kompas moet je de naald altijd op dit streepje laten inspelen.
  6. De naald wijst alleen nauwkeurig naar het magnetisch noorden wanneer er geen ijzeren voorwerpen, elektrische geleidingen, brugleuningen en dergelijke in de buurt zijn. Denk ook aan je zaklantaarn of fiets.
  7. Een vizierrichting, waarmee je he tkompas kunt richten.
  8. Het afleespunt, aangebracht op het huis waar de gevonden richting afgelezen wordt.
  9. Het deksel van het kompas


2.3 De vijf handgrepen

2.3.1 Schieten
Eerst even een algemene uitleg over het graden schieten met een kompas. Dit is de basis voor de vijf handgrepen.
Kijk in de spiegel van het kompas. Nu zie je langs de kompasroos allemaal cijfertjes staan. Namelijk van 0 tot 360. Het kompasroos kan je draaien, draai nu je kompas zo dat het gegeven aantal graden bovenaan het kompas komt te staan. Dus op het punt het verste van je af. Meestal staat dit aangegeven met een klein pijltje op het kompas. Draai nu het kompas net zo lang totdat het noorden van de kompasnaald het noorden is die op het kompasroos staat aangegeven. Loop nu in de lengte richting van het kompas. Meestal is het handig om in de richting van een vast voorwerp te lopen die in de lijn van het kompas staat. Vanaf dit voorwerp kan je vervolgens opnieuw de richting bekijken, zodat je afwijking klein blijft.


2.3.2 Handgreep 1: Een op de kaart uitgezette richting overnemen op het kompas
Je wilt van punt A op de kaart naar punt B.
Trek een dunne potloodlijn van A naar B. Zet het kompas met de richtingszijde langs deze lijn.
Draai nu de roos van het kompas zodanig, dat de NZ-lijn van het kompas evenwijdig loopt met de verticale (N-Z) lijnen van de kaart (het N naar de bovenkant van de kaart wijzend).
Lees nu bij het afleespunt de gezochte richting af.
DE NAALD BLIJFT BIJ DEZE HANDGREEP BUITEN BESCHOUWING!

2.3.3 Handgreep 2: De op het kompas ingestelde richting overbrengen in het terrein
Door middel van de vorige handgreep heb je op het kompas de gewenste richting van A naar B vastgelegd. Nu zet je de spiegel uit onder een hoek van 45 graden. (bij een Recta-kompas staat de spiegel automatisch onder die hoek).
Je gaat in A staan. Je houdt het kompas geopend voor je. Je kijkt door of over het vizier en gelijktijdig via de spiegel naar de naald. JE DRAAIT NATUURLIJK ONDER GEEN BEDING MEER AAN DE ROOS !
Nu draai je jezelf zolang tot DE NAALD INSPEELT (dus samenvalt met de groene streep: het magnetische noorden).
Als dat het geval is, kijk je door of over het vizier in de richting waar zich punt B bevindt. Het kan zijn dat je het inderdaad ziet, maar punt B kan ook zo ver weg liggen, dat je het zelf niet ziet. MAAR JE KIJKT OVER HET VIZIER IN IEDER GEVAL IN DE RICHTING VAN B.
Als je in die richting loopt, en de looprichting tussentijds controleert door tussenpunten te bepalen, kom je uiteindelijk in B uit, ook al ligt dat kilometers weg.
Deze handgreep gebruik je natuurlijk ook, als je een richting opkrijgt. Deze handgreep is eigenlijk het schieten dat hiervoor werd beschreven.

2.3.4 Handgreep 3: Een richting in het terrein op het kompas instellen
Het omgekeerde van handgreep 2.
Je staat in een punt A en wilt de richting weten waarin je punt B ziet liggen.
We gaan nu "schieten", dat wil zeggen je kijkt over het vizier naar punt B. Vervolgens draai je de roos, tot de naald "inspeelt",dus samenvalt met de groene streep op de roos, het magnetische noorden (via de spiegel kijken). Bij het afleespunt zie je de gevonden richting.

2.3.5 Handgreep 4: Een op het kompas ingestelde richting overbrengen op de kaart of op papier
Het omgekeerde van handgreep 1.
Door middel van de derde handgreep heb je nu op het kompas de richting waarin punt B ten opzichte van punt A ligt, vastgelegd. Zoek punt A - waar je stond - op de kaart op. Leg het kompas met de richtingszijde tegen punt A aan. Draai het hele kompas - EN NIET DE ROOS NATUURLIJK - zodanig dat de NZ-lijn op het kompas evenwijdig loopt met de verticale (N-Z) lijnen van de kaart. Trek nu langs de de richtingszijde van het kompas een lijn, te beginnen in punt A. Verleng deze lijn eventueel. Ergens op deze lijn ligt nu punt B.
DE NAALD BLIJFT BIJ DEZE HANDGREEP BUITEN BESCHOUWING!

2.3.6 Handgreep 5: Ontwijken van hindernissen
Bepaal de looprichting met behulp van het kompas. Verzet nu de kompasnaald, zodat hij tussen de twee punten staat op je kompasroos. Loop en tel het aantal stappen, totdat je langs het obstakel kan. Zet de kompas weer in de oorspronkelijk stand en loop het obstakel voorbij. Als je ver genoeg bent, verzet je de kompasnaald tussen de andere twee puntjes op je kompasroos. Loop nu weer het aantal stappen, die je getelt hebt in die richting. Als je dat gedaan hebt zet je de kompasnaald weer in de oorspronkelijke richting en kan je je weg vervolgen, en ben je het obstakel kwijt.


(3. n.v.t.)
4. Spelen
Hier vind je de nodige spelen en opdrachten. Deze kunnen worden gebruikt om de theorie te oefenen. Voor een aantal spelen zal je zelf lokaal het een en ander moeten uitzetten. Het is niet mogelijk om voor heel Nederland een kompas-route uit te zetten.
Voor de beginners is het wel handig om eerst gewoon droog te beginnen met het oefenen van het schieten met kompas. Laat ze rondom het troephuis een eigen kompas-route uitzetten en wissel dan de routes met een ander groepje. Dan moeten ze de route van het andere groepje nalopen.

4.1 Kompas-route
Spel: Elk groepje krijgt een aantal kompas-richtingen op met achter elke richting een bepaald aan stappen. Aan het eind van de stappen vinden ze een letter. Als ze alle letters hebben, dan krijgen ze een woord.
Benodigdheden: kompassen, kompas-route, letters, punaises of iets dergelijks.

4.2 Route technieken

4.2.1 De bolletjesroute
Dit is een route-techniek. Bij de bolletjesroute wordt op ieder kruispunt dat je tegenkomt, aangegeven naar welke windstreek je moet lopen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een bolletje met een lijntje omhoog voor Noord, een lijntje naar rechts voor Oost, een lijntje naar beneden voor Zuid en en een lijntje naar links voor West. Je kan ook combinatie's maken door bolletjes boven elkaar te zetten. Je moet dan van onder naar boven lezen, dus een bolletje met een lijntje omhoog onder een bolletje met een lijntje naar rechts, wordt dan NO.
Als je eenmaal hebt bepaald welke windstreek het is, kan je die omrekenen naar hoeveel graden het is en kan je met je kompas aan de gang.

4.2.2 De kompas-route
Deze route-techniek kom je vaak tegen. De bij de kompas-route krijg je voor elk kruispunt dat je op je route tegenkomt een kompasrichting. Dit is de richting waar je op dat kruispunt heen moet.

4.2.3 Vector-route
Hier zijn verschillende varianten op. De standaard route technieken is om voor elk kruispunt een Noord-pijl aan te geven en een pijl (= vector), die de richting aangeeft. Deze vectoren kunnen ook aan elkaar gekoppeld worden, zodat je een lange lijn krijgt van vectoren, of je maakt een lange noord-pijl en je plaats alle vectoren als een soort van stripkaart aan deze noord-pijl. Je kan ook alle vectoren uit één punt tekenen.
Vaak wordt ook de lengte van de pijl gebruikt om aan te geven hoeveel meter de opgegeven richting opgegaan moet worden. Let op! Vergeet dan niet om de schaal erbij te zetten.
Bij al deze varianten moet je niet de noord-pijl vergeten!!

4.3 Zelf een kompas maken
Spel: Magnetiseer met een sterke magneet een naald. Snij een dun plakje af van een kurk. Doe de speld door het dunne plakje kurk. Vervolgens leg dit in een bak met water en je hebt je eigen vloeistof-kompas.
Benodigdheden: sterke magneet, naalden of spelden, kurken, bak met water.

© 1996 - 2001: scouting Impeesa Amersfoort
-- web-master: R.D.Leijenaar --
Scouting Kralingsche Troep terug(naar 3e klasse)
terug(naar 2e klasse)